#12
We rijden nu al een paar dagen door Eos. De zon is bijna onder als we afstappen. Al snel hebben we een plek om te overnachten. Ik ben moe. Ik leg mijn hoofd op Cosmo's borst en sluit mijn ogen. Het zachte geruis van de wind zorgt voor rust. Ik geniet ervan.
'Liana?,' hoor ik Cosmo zachtjes zeggen. Ik open mijn ogen. 'Waar zijn we?' vraag ik als ik zie dat het grasland van Eos is vervangen door een enorme puinzooi. 'Welkom in Oud Jenava,' zegt hij. Hij stapt van het paard af en helpt me naar beneden. Ik kijk rond. 'Het is niet veranderd, het ziet er nog net zo uit als toen,' hoor ik Cosmo mompelen. Hij bindt de teugels van het paard aan een boom. Samen lopen we door het puin. Wat is hier gebeurd?
Het is stil. Dat maakt me zorgen. We zijn langzamer gaan lopen. Ik kijk naar Cosmo, die precies lijkt te weten waar hij heen moet. Zijn ogen zijn leeg en er is geen greintje vrolijkheid te zien. Ik stop met lopen en kijk naar de jongen. Hij loopt naar een hoop met puin en knielt. Hij pakt iets op en mompelt wat. Dan laat hij zijn hoofd zakken. Langzaam kom ik dichterbij. 'Cosmo? Gaat het,' vraag ik voorzichtig. Dan zie ik wat hij in zijn handen heeft. Een klein houten zwaard.
'We gaan,' zegt hij plotseling. Hij staat op en draait naar mij om. Zijn gezicht toont geen enkele emotie. In zijn ogen staat een blik van ijs.
'Nee,' zeg ik. 'Wat is er met je aan de hand?' Zijn blik verandert niet. 'Niets. We gaan,' bijt hij me toe. 'Er is wel iets!' Zeg ik boos tegen hem. 'Liana, het gaat je niks aan!' Krijg ik als antwoord terug. Een stilte valt.
'Hier woonde je, toch?' Zijn blik verzacht en langzaam knikt hij. Hij laat zich op een blok steen vallen. Ik ga naast hem zitten. 'Wil je het vertellen?' Hij kijkt naar me op. Tranen staan in zijn ogen. Zijn stem is amper te horen. 'Ja.'
'Ik woonde hier met mijn ouders en broertje Parker. Omdat mijn ouders vaak werkten, bleef ik met hem achter. We waren ontzettend close, onafscheidelijk zeiden de meeste mensen in het dorp. We deden bijna alles samen. Tot op een bepaalde avond...'
Tranen lopen over zijn wangen. Ik weet dat hij eraan terug denkt.
'Het was al best laat. Parker en ik lagen al in bed, toen ik schrok van een hard geluid. Mensen buiten gilden. Mijn moeder kwam de trap op stormen en zei dat we moesten vluchten. Zij en mijn vader zouden later komen. Parker en ik vluchtten het huis uit. Overal zagen we brandende huizen. Soldaten liepen door het dorp. We waren bijna weg toen Parker viel. Ik probeerde hem te helpen, maar ik was te laat. Een pijl raakte hem in zijn borst en hij viel neer. I-ik probeerde hem nog te helpen, maar...'
Hij stopt met praten en begon zacht te snikken. Tranen prikken in mijn ogen. 'Hij heeft het niet overleefd,' fluister ik. Hij knikt. Ik sla mijn armen om hem heen. Zo blijven we zitten.
Het is al laat als we besluiten weg te gaan. Het is nog een stuk reizen en Cosmo wilde niet blijven. Er zaten te veel herinneringen vast aan die plek. Zwijgend rijden we door oud Jenava. De zon is bijna onder. 'Misschien kunnen we beter een plek zoeken om te overnachten,' zeg ik vermoeid. 'Volgens mij zie ik een oude toren,' zegt Cosmo. 'We zijn bijna bij fort Foreland. Dan duurt het nog even voor we in de hoofdstad zijn.' Hij stuurt het paard naar de toren. Het duurt niet lang tot we in de toren in slaap vallen.
Ik word wakker van het geluid van stemmen. Meteen ga ik overeind zitten en maak Cosmo wakker. 'Wat is er?' Vraagt hij slaperig. 'Mensen. We moeten weg hier.' Ik spring op en loop naar de kleine opening in de muur. Ik zie soldaten. Geschrokken spring ik achteruit. 'Soldaten!' Roep ik uit. Ik pak Cosmo's hand en trek hem mee naar buiten. In de deuropening sta ik stil. Minimaal vijftien bogen zijn op me gericht. 'Wat een verassing om jou te zien...zusje.'
Bạn đang đọc truyện trên: Truyen247.Pro