Hoofdstuk zeven
Dean pov.
Ik kook van woede en tegelijkertijd scheurt de pijn mijn hart kapot. Waarom bleef ze niet gewoon hier?! Zo erg is het hier nou toch ook weer niet?! Ze kon met de kleine wolfjes spelen, met de pubers praten, vechtlessen volgen al betwijfel ik of ze die nodig heeft.... en ík kon ondertussen proberen haar gevoelens terug te krijgen samen met haar wolfgeest! En nu is ze er vandoor. Als ik haar terug heb sluit ik haar op zodat ze nooit meer weg kan! Ik zal haar voor eeuwig bij me houden, ik zal de enige zijn die haar mag aanraken en ik zal degene zijn die haar emoties terugbrengt! Ík en alleen ík! Plots schiet er een steek door mijn lippen en hart. Dit ga je toch niet menen?! Is ze nu serieus met een andere weerwolf aan het zoenen?! De woede in mij word nog sterker en ik weet zeker dat ik mezelf straks niet meer in bedwang kan houden en het territorium van de andere roedel op storm om Diata terug te halen. Met langzame stappen loop ik achteruit terwijl ik woest en hongerig naar de grens blijf kijken.
Diata pov.
Tod blijft de gehele weg naast me lopen en probeert me aan het lachen te maken, wat niet bepaald werkt als ik eerlijk ben. 'Oh, kom op! Zijn mijn grappen zo slecht?' Zegt Tod klagend terwijl hij me geërgerd aankijkt. 'Weet ik veel. Ik kan gewoon niet lachen.' Tod bromt wat over gevoelens en geheugenverlies maar ik kan het niet verstaan. Plots duwt hij me hard tegen de muur aan. 'Tod, wat doe je?' vraag ik terwijl ik hem aankijk. Het volgende moment duwt hij zijn lippen ruw tegen de mijne. Ik doe niks. 'DIATA!' klinkt Marcs stem en direct probeer ik Tod van me af te duwen maar hij blijft me kussen en harder tegen de muur aanduwen. En dan is Tod weg en staat Marc voor me. Zijn ogen fonkelen van blijdschap en hij trekt me in een knuffel. 'Je leeft nog! Ik wist het wel!' prevelt hij in mijn haar. 'Ik leef nog Marc, ik leef nog.' zeg ik terwijl ik hem aankijk. Marc drukt een kus op mijn voorhoofd en het valt me nu pas op dat zijn ogen waterig zijn geworden. 'Hé, niet huilen.' zeg ik terwijl ik met mijn duimen zijn tranen wegveeg. Marc blijft me stevig vasthouden en stopt zijn hoofd in mijn nek. Ik voel mijn schouder nat worden en ik klop maar wat op zijn rug. Ik ben nooit goed geweest met mensen troosten maar dat komt ook omdat ik bijna nooit mensen hoef te troosten... Na een vijftal minuten laat hij me los en kijkt me met betraande, rode ogen aan. 'Waarom was je met hem aan het zoenen?' Vraagt hij uiteindelijk. 'Was ik niet.' Zeg ik terwijl ik hoop dat die klote kus met Ted onze vriendschap niet verpest heeft. 'Dat was je wel en het ging er behoorlijk ruw aantoe.' Zegt Marc terwijl hij naar me kijkt met fonkelende ogen van woede en teleurstelling. 'Hij zoende míj en bovendien deed ik niks. Ik wou het ook niet eens!' Marcs blik word woedend en ik plak een nep-grijns op mijn gezicht. 'Van mij mag je Tod in elkaar slaan. Als je het niet doet, doe ik het dus kiezen. Nu.' Zeg ik terwijl ik mijn knokkels laat kraken. Een gretige uitdrukking verschijnt op Marcs gezicht en direct draait hij zich om naar Tod. Die verdwenen is, de schijterd. 'Gaan we hem zoeken? Ik wil hem slaan.' Zegt Marc smekend. Ik knik en begin te rennen. Al snel hoor ik Marc achter me aankomen. Na tien minuten zien we hem in de verte rennen. Marc versnelt en hij haalt me langzaam in, wat bijna nooit gebeurd. 'TOD!' Schreeuw ik hard. Tod kijkt om en zijn gezicht word bleek zodra hij ons ziet en hij struikelt. In één minuut zijn we bij hem en heeft Marc hem al een kaakslag gegeven. 'Klootzak.' Sist hij kwaad voor hij hem hard in zijn buik trapt. Ik sta er maar gewoon naast, kijkend naar het tafereel dat zich voor me afspeelt. Plots word ik bij mijn arm vastgepakt en meegetrokken. Marc en Tod merken het niet want zij zijn druk aan het vechten. Woest probeer ik me los te rukken maar de persoon die me vastheeft houdt me stevig vast. 'Geef het toch op, Amnesia.' Bij de naam Amnesia verstijf ik en stop ik met tegenstribbelen. De persoon leidt me een donker steegje in en direct ben ik op mijn hoede. De persoon laat mijn arm los en met een ruk draai ik me naar hem of haar toe. 'Wat wil je? Wie ben je? Wat doe je? Waarom noemde je me Amnesia? Hoe kom ik überhaupt aan de naam Amnesia?' Ratel ik terwijl ik met mijn linkerhand naar mijn dolk in mijn riem ga. De persoon voor me grinnikt. 'Dat zijn veel vragen voor een meisje zoals jou.' 'En dan? Mag ik soms geen vragen stellen?' 'Oh, dat mag je zeker wel en ik zal ze ook beantwoorden, uiteindelijk, maar eerst heb ik nog wat vragen voor jou.' 'En wat als ik die niet wil beantwoorden?' Zeg ik terwijl mijn hand mijn dolk omvat. 'Dan krijg jij nooit te weten wat er met je familie is gebeurd.' 'Wat wil je weten?' De persoon grinnikt en mompelt iets in de trand van: 'Verstandige keuze....' 'Vertel op. Wat wil je weten?' Zeg ik terwijl ik de persoon voor me doordringend aan probeer te kijken. 'Weet je wie ik ben?' 'Wat? Nee.' De persoon vloekt kort. 'Waarom ben je bij Dean weggevlucht?' Hoe weet 'ie dat? 'Omdat hij me tegen mijn wil in daar vasthield, plus hij brak mijn polsen.' 'Wat voel je voor Dean?' 'Niks.' 'Niks?' 'Niks.' 'Waarom voel je niks voor hem?' 'Omdat ik niks voel.' 'Ja, dat snap ik maar waaróm?' 'Omdat ik niks kán voelen.' 'Oh.' 'Wil je nog meer weten of ga je eindelijk antwoord geven op mijn vragen?' 'Wat weet je nog van je familie?' 'Vage vlekken. Ik zie de vorm van de personen maar meer ook niet.' 'Aha...' 'Ga je nu-' 'Ja, rustig.' Zegt de persoon chagrijnig. 'Eén: ik wil ons herenigen.' Wat? 'Twee: dat zeg ik straks wel. Drie: ik nam je mee en stelde je vragen en nu beantwoord ik jouw'n vragen. Vier: omdat dat je bijnaam is en je zo wel zou luisteren. Vijf: omdat je alles bent vergeten. Maar dan ook echt alles...' Bij die laatste zin klinkt de stem van de persoon triest. 'Wie ben je...?' 'Je broer.' Zegt de persoon terwijl hij zijn masker van zijn hoofd trekt. Een jongen met een waterige glimlach kijkt me aan. Hij heeft precies dezelfde ogen als ik en dezelfde neus, wenkbrauwen en wimpers. Alleen heeft hij gitzwart haar terwijl ik gewoon bruin haar heb. Een felle pijnsteek in mijn hoofd zorgt ervoor dat ik even alleen maar wit zie en plots herinner ik me iets:
'Pak me dan, als je kan!' Schreeuw ik lachend naar mijn broer, Boris, toe. Hij lacht en steekt zijn handen uit terwijl hij dichterbij komt. 'Ik ga je pakken!' Roept hij lachend. 'Je krijgt me nooOOOOOOOOHH!' Schreeuwend beland ik in het ijskoude meertje. Klappertandend kom ik boven water en kijk op naar mijn broer, die me bezorgd aankijkt. 'Gaat het, Diata?' Vraagt hij terwijl hij zijn hand uitsteekt om me uit het water te trekken. 'J-j-ja-w-w-wel.' Zeg ik klappertandend terwijl ik me door mijn broer omhoog laat trekken. 'Kom op, je voelt ijskoud aan. We gaan een lekkere warme deken voor je zoeken en je lekker instoppen.' zegt hij terwijl hij me optilt en tegen zich aandrukt om iets van zijn warmte aan mij door te geven. Ik rol me op tot een bolletje en krul tegen hem aan.
Bewegingloos kijk ik naar de jongen voor me. Hij is zeker negentien, twintig. Mistroostig kijkt hij me aan met een droevige glimlach om zijn lippen. 'Ik weet niet hoe je hier, in dit wereldje, terecht bent gekomen Diata maar je hoort hier niet.' Zegt hij terwijl hij aan hand op mijn schouder legt. Mijn smalle maar gespierde schouder die duizenden blauwe plekken en valpartijen heeft overleeft. Ik trek mijn schouder onder zijn hand vandaan en kijk hem koud aan. 'Waar was je al die tijd? Waarom heb je nooit wat van je laten horen? Was het echt zo moeilijk om me op te komen zoeken, een paar jaar eerder? Wat is er met onze familie gebeurd? Heb ik nog andere levende broers, zussen of andere familie?' Vraag ik hem terwijl ik hem koud blijf aankijken, alsof ik ook maar een andere blik op mijn gezicht kan krijgen van wat ik echt meen dan. Een nep-glimlach is makkelijk op je gezicht te plakken. Een boze, verdrietige, verbaasde uitdrukking ook. De enige emotie die ik niet na kan doen is verliefdheid. Daarvoor moet ik eerst zelf verliefd zijn, wat waarschijnlijk heel lang gaat duren. 'Waarom kijk je me zo koud aan Diata? Ben je niet blij om te weten dat je nog een levend familielid hebt?' Vraagt Boris aan me. 'Wat is blij Boris? Hoe voelt dat?' Vraag ik hem als antwoord. Onbegrijpend kijkt hij me aan. 'Hoe bedoel je: wat is blij? Dat weet jij toch ook wel.' 'Nee, mijn emoties zijn samen met mijn geheugen weggegaan na het vertrek van onze familie. En geef antwoord op mijn eerdere vragen. En níet liegen want dat merk ik.' Waarschuw ik hem. 'Ik was ergens meebezig al die tijd. Wat kom je later nog wel achter. Ik heb geen contact met je opgenomen omdat ik dat niet kon en omdat ik niet wist dat je nog leefde. Ja, dat was heel moeilijk. Het heeft me ook heel veel moeite gekost om hiernaartoe te komen, dus wees maar blij. Onze familie is vermoord. Allemaal, één groot bloedbad. Dat was het. Je mag blij zijn dat je je dat niet herinnert.-' 'Ik herinner me helemaal niks meer van mijn familie. Ik herinner me net pas wie jij bent en dan zie ik maar één herinnering. Toen ik nog wel emoties had. Maar ga verder.' 'Nee. Je hebt geen andere levende familie. Niemand weet eigenlijk ook dat ik het overleeft heb. En dat moet ook even geheim blijven. Beloof je dat je niks zult zeggen?' Smeekt Boris me. 'Ik beloof helemaal niks. Niet nu ik nog steeds niet zeker weet of ik je kan vertrouwen.' Beantwoord ik zijn smeekbede. 'MAAR IK BEN- oh, fuck. Die rare dude komt terug. Ik ben hier nooit geweest.' Sist Boris terwijl hij zijn masker opzet en daarna wegrent. Een vijftal minuten later komt Marc aangelopen, zoekend naar mij. 'DIATA?!' schreeuwt hij voor ik uit de schaduwen stap en zwijgend naar hem toeloop. 'Waar was je Dia? Je hebt echt wat gemist! Tod was aan het huilen en smeken dat ik hem in leven moest laten, dat hij te belangrijk was om te sterven of zoiets. Nou, ik heb hem laten leven alleen maar zodat hij de pijn tijdens het helen van zijn wonden kan zijn.' 'Dat klinkt inderdaad alsof ik er bij had moeten zijn.' Zeg ik terwijl ik Marc aankijk. Een gele gloed verdwijnt net helemaal uit zijn ogen en een paar tellen kijk ik Marc onderzoekend aan. 'Wat was die gele gloed in je ogen Marc?'
Dean pov.
Woest ijsbeer ik door mijn kamer terwijl ik me in hou om niet opzoek te gaan naar iets wat ik ook nog kapot kan maken. Mijn wolf heeft zin om die andere wolf zo erg toe te takelen dat hij nooit meer iemand kan zoenen of aanraken. En dat idee klinkt heel erg aanlokkelijk. 'Dan gaan we dat toch lekker doen!' Zegt mijn wolf donker. 'Nee, dat kan niet.' 'Waarom niet?' 'Omdat wij de zoon van de alpha zijn en anders een slecht voorbeeld voor de rest van de roedel.' Mijn wolf gromt ontevreden maar zegt niks meer. Mooi. Nu een plan bedenken om Diata weer naar hier te halen....
Bạn đang đọc truyện trên: Truyen247.Pro