Winter
Zwijgend lopen we het Roedelhuis binnen en direct kijken de aanwezigen nieuwsgierig op. Hun ogen beginnen te glinsteren zodra ze doorhebben dat ik weer "terug" ben.
Nou, niet voor lang.
'Ik ga naar bed.' Zeg ik tegen Storm en hij kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan.
'Nu al?'
'Ik ben moe en ik moet rusten, mijn zij moet sneller helen zodat ik klaar ben voor een gevecht met die vampiers als het daarop uitdraait.'
'Juist.... Eh, volg mij.' Zegt Storm voor hij richting een trap loopt.
Stil en snel volg ik hem de trap op. Zijn huis is echt enórm! Een normaal mens zou hier binnen drie seconden verdwalen, sowieso. Gelukkig heb ik superzintuigen en heb ik ook nog eens het geluk dat ik een goed geheugen heb dus ik denk dat ik mijn weg hier wel ga vinden.
We lopen een grote kamer in en het is duidelijk niet de kamer waarin ik ben neergestoken noch heeft deze een deur van wolfsbane.
'Ehm, dit is jouw kamer... Mijn kamer is recht tegenover de jouwe, voor het geval je me nodig zou hebben.' zegt hij terwijl hij duidelijk heel erg ongemakkelijk in de kamer staat.
Ik schenk hem een glimlach.
'Dank je wel, Storm.' zeg ik terwijl ik geniet van zijn haast geschokte reactie.
'Eh, geen probleem... Ik, eh, ga dan maar... Eh... Slaap lekker.'
Een giechel ontsnapt me en geschrokken kijk ik naar Storm, die nu een geamuseerde blik in zijn ogen heeft. Ik voel mijn wangen warm worden en bedek ze snel met mijn handen.
'Welterusten, Storm.' zeg ik vlug voor ik de badkamer in vlucht.
Leunend op de wasbak, kijk ik mezelf aan in de spiegel. Mijn wangen zijn roze en in mijn ogen staat een zowel verwilderde als beschaamde blik.
Waarom wenste ik hem welterusten?
Waarom gaf ik überhaupt aan hem toe?
Oh ja, omdat anders zijn Roedel er aan zou gaan en ik dan precies zoals hij zei, egoïstisch bezig was. Als er iets is wat ik niet wil zijn, is dat een egoïst.
En hoe erg ik Storm ook niet mag, ik wil niet dat hij hetzelfde ondergaat als ik.
Even krimpt mijn maag samen tijdens het denken aan de herinnering en snel schud ik de herinnering van me af.
Ik gooi wat water in mijn gezicht en poets vervolgens vlug mijn tanden. Het boeit me echt niet of de tandenborstel al gebruikt is of niet want ik heb in de beginnende jaren toen we onze Roedel aan het herstellen waren een tandenborstel met de hele Roedel moeten delen.
Zuchtend loop ik de badkamer uit, om direct een schreeuw over mijn lippen te laten ontsnappen.
Op mijn bed zit Summer en ze kijkt alsof ze me wilt vermoorden.
'S-Summer...'
'Winter.' Zegt ze ijzig terwijl ze op staat.
'W-wat doe jij hier? Jij kan hier niet zijn! Jij bent dood!'
'Inderdaad. Dus mijn vraag aan jou is: wat ben je in hemelsnaam aan het doen in het huis van mijn moordenaar?! Je zou hem moeten haten! Je ging zo lekker de afgelopen jaren en dan heeft hij je te pakken en meegenomen en plotseling is het allemaal tortel, tortel, tortel!'
'M-maar S-Summer-'
'Niks "maar Summer", Winter! Je. hoort. mijn. moordenaar. te. HATEN!'
'Maar hij is mijn mate!'
'En dan? Dan wijs je hem toch gewoon af? Of ben je daar te laf voor?'
'Ik. ben. niet. laf. En ik heb twee keer geprobeerd om hem af te wijzen maar hij verhinderde dat telkens!'
'Dan blijf je het toch gewoon proberen tot het lukt? Of begin je langzaam gevoelens voor hem te ontwikkelen? Is dat het? Ben je verliefd geworden op almachtige Alpha Storm?'
'IK BEN NIET VERLIEFD OP HEM!'
'Oh nee?'
'LAAT ME MET RUST!'
'HEB IK ALSNOG GELIJK?!'
'GA WEG!'
'IK HEB GELIJK WANT ANDERS ZOU JE NIET WILLEN DAT IK WEGGING! JE WILT DAT IK WEGGA OMDAT JE WÉÉT DAT IK GELIJK HEB!'
'LAAT ME ALSJEBLIEFT MET RUST!'
'WINTER!' roept Storm geschrokken terwijl hij binnen komt vliegen.
Geschrokken kijk ik hem aan.
'Winter, wie moet je met rust laten? Wie moet er weg?'
Ik kijk naar Summer. Nou ja, de plek waar Summer daarnet nog stond.
'W-waar is ze? Ze was hier net nog! Hoe kan dat?' stamel ik terwijl ik naar achteren struikel.
'Wie was hier net, Winter? Wie viel je lastig?' vraagt Storm bezorgd terwijl hij mijn schouders pakt en me naar zich toedraait.
'SUMMER!'
'Summer? Summer als in je zusje, Summer?'
'JA!'
'Maar Winter, er was hier niemand. Ik ruik niemand. En bovendien, zij is dood! Ze kan hier niet geweest zijn.'
'Maar ze-ze was hier! Ze zat op het bed... En-en toen liep ze naar mij... En-en ze begon te schreeuwen dat ik jou zou moeten haten...'
'Hé, rustig maar... Het is oké... Er is niks aan de hand, er was hier niemand. Ik ben hier nu, oké? Kijk me aan. Winter, kijk me aan. Goed zo en adem nu rustig in en uit.... Zo ja.... Heel goed... Mooi, gaat het weer?'
'J-jawel.... Sorry dat ik zo doordraaide...'
'Maakt niet uit maar ik neem je voor de zekerheid me naar de dokter, oké?'
'Nee. Nee, geen dokters. Niemand mag dit weten.'
'Winter, dit is niet goed voor je gezondheid!'
'Ze... Ze verdwijnt wel weer... Dat doet ze altijd...'
'Heb je hier vaker last van dan?'
Stilletjes knik ik, terwijl ik bang ben om hem aan te kijken.
'Winter, weet je ook waarom je ze hebt?' vraagt Storm terwijl hij mijn kin voorzichtig optilt en me zo dwingt om hem aan te kijken.
Ik schud mijn hoofd waarna ik mijn ogen dichtknijp en mijn kin bevrijd uit zijn grip.
'Hé, kom hier....' zegt Storm zachtjes terwijl hij me tegen zich aantrekt.
'Het gaat allemaal goed komen, oké? We gaan er samen voor zorgen dat ze weggaat en dat ze weg blijft, oké?'
Ik knik terwijl ik me tegen hem aandruk.
'Kom, we gaan naar bed. Je bent duidelijk moe.' zegt Storm zacht voor hij me optilt en wegdraagt naar volgens mij, zijn kamer.
Voorzichtig legt hij me op zijn bed en ik merk direct dat ik slaperig word.
Voorzichtig legt Storm de dekens over me heen en ik kruip er dieper in weg.
'Slaap lekker, sneeuwvlokje... Slaap lekker...'
Bạn đang đọc truyện trên: Truyen247.Pro