2
Het is ijskoud, dus ik trek de dunne deken nog wat verder over me heen. Ik lig al de hele nacht te woelen, en ook Milia kan zo te horen de slaap niet vatten. Mijn vader is nog steeds niet thuis, wat ik niet erg vind, als hij er niet is kan hij ook niets verkeerds doen. Ik vind het wel zorgwekkend dat zowel Naftali als Cherese al een week niks van zich hebben laten horen. Als oudere broer en zus vinden ze dat het hun taak is om voor Milia en mij te zorgen, waarbij ze voor het gemak meestal vergeten dat de kleine bijdrage die ze leveren nog niet eens genoeg is voor Milia, laat staan voor mij. Van Lorenzo ben ik het gewend dat hij helemaal niks bijdraagt, want hij was al getrouwd voordat alles veranderde, waardoor hij nog een redelijke maatschappelijke positie heeft. Als hij met ons zou worden gezien zou dat een flinke smet werpen op zijn reputatie, denk ik sarcastisch.
Onze situatie is behoorlijk achteruit gegaan sinds Cherese en Naftali het huis uit zijn, vooral de altijd al magere Milia wordt met de dag dunner. Het is niet dat ik niks verdien bij mijn baantje als aardappelschilster in het grote weeshuis in het centrum van de stad, maar meer dat ik al het geld aan papa moet geven, zodat hij genoeg geld heeft voor de goedkope brandewijn waarvan hij iedere dag liters wegzuipt. Af en toe hou ik geld achter, maar ik durf het niet om grote bedragen te houden, bang dat hij het merkt. Milia helpt af en toe ook in het weeshuis, maar met haar negen jaar en tengere bouw is ze niet geschikt voor het zware werk. Meestal gaat ze overdag langs de deuren om om geld te vragen, hoewel ze bijna niks krijgt. Waarom zou je het kind van de duivel helpen?
Opeens hoor ik zacht gesnik, en ik weet dat het weer zover is: eens in de zoveel tijd stort Milia in, wat volkomen begrijpelijk is. Het is voor niemand goed om altijd honger te hebben, iedere dag voor gek te worden gezet omdat je niet uit het 'goede' gezin komt en altijd bang te zijn voor je vader, die als een bom is, bij het minste of geringste dat je doet ontploft hij. Ooit was mijn vader een lieve man, die mij 's avonds verhaaltjes voorlas, en mij vertelde dat ik mijn dromen moest naleven, maar ik zie met de dag een stukje meer van die man verdwijnen en met de dag ga ik de nieuwe man, die hij aan het worden is, meer haten.
Als Milia nog harder begint te huilen wikkel ik de deken om me heen en sta op. Het voelt alsof de kou, die de vochtige grond afgeeft, tot in mijn diepste binnenste dringt en ik huiver. Snel loop ik naar mijn zusjes matras toe, en ga voorzichtig naast haar liggen. Ik druk haar schokkende lijfje stevig tegen me aan en fluister: 'Shhh, het komt allemaal goed.' Langzaam wordt het schokken minder, en na een tijdje fluistert ze met een dun stemmetje: Wil je een verhaal vertellen?' Ik knik en sluit mijn ogen voordat ik begin te vertellen:
'Er was eens een tijd waarin magie nog bestond. Heel de wereld leefde van magie, alles was doordrenkt van de magie: van de soldaat die voor zijn leven vocht op het slagveld tot de moeder die 's avonds haar kindje in slaap zong, iedereen had een eigen vorm van Magie. Hoewel ook deze wereld niet perfect was -er waren tenslotte oorlogen- waren er regels, waar iedereen zich aan hield. Deze regels werden de Wetten van de Natuur genoemd, en deze Wetten zorgden ervoor dat Goed en Kwaad perfect in evenwicht waren. Tot er op een dag een man verscheen, die zich niet aan de Wetten hield. Hij veroverde land na land, zodat het Kwaad zich verspreidde als een inktvlek over de hele wereld. Op de slagvelden werden soldaten van achter aangevallen, moeders werden voor de ogen van hun kinderen vermoord, en niemand kon de man stoppen.
Tot er op een dag een jongentje werd geboren, dat totaal anders was dan alle kindjes. Zijn lichtblonde haartjes leken door de zon zelf te zijn geweven, zijn reusachtige, blauwe ogen waren als een heldere hemel en hij leek te stralen. Het jongetje groeide op en overal waar hij kwam gingen de dode bomen bloeien, verschenen er bloemen uit verschroeide aarde, braken de wolken open en kregen de mensen weer hoop.
Ook de man hoorde van het jongetje en hij was woedend. Nachten lag hij wakker, zinnend op een plan om het jongetje op de meest gruwelijke wijze te vermoorden. Op een zwarte nacht bedacht hij dan ook een plan: hij wilde het jongetje opsluiten in een hol diep onder de grond, waar hij nooit meer in contact kon komen met het zonlicht. Het plan lukte, en het jongetje werd opgesloten, maar hij bezweek niet onder het gebrek aan zonlicht. Hij zorgde er juist voor dat zijn gevangenis ging bloeien, en maakte de grond vruchtbaar. De kracht van het jongetje reikte zelfs zover dat precies boven zijn gevangenis de grond ook ging bloeien.
De aanhangers van het jongetje zagen het, en besefte dat ze het jongetje hadden gevonden. Ze gingen iedere dag naar de open plek -want de dag was veiliger dan de nacht- en groeven een tunnel naar de gevangenis van het jongetje. Op een dag konden ze hem eindelijk bevrijden, en ze namen hem stiekem mee. Diezelfde nacht kwam de man kijken hoe het met het jongetje ging, maar hij wist niet dat er een hinderlaag klaar lag. De aanhangers van het jongetje sloten de man op in een kooit, die ze in het volle daglicht hielde. De man kon niet tegen het daglicht, waardoor hij stierf, en met hem al het kwaad dat hij had veroorzaakt. De Wetten werden weer in ere hersteld, en er brak een lange periode van vrede aan.'
Ik hoor het regelmatige ademhalen van mijn zusje, en opgelucht besef ik dat ze in slaap is gevallen. Ik kruip nog wat dichter tegen haar aan, en langzaam maar zeker vallen ook mijn ogen dicht.
'Wakker worden, Yen.' verschrikt open ik mijn ogen en zie dat Milia naast me staat, wat betekend dat ik er hoogstwaarschijnlijk uit moet. Langzaam duw ik mezelf omhoog, en knipper met mijn ogen door de opkomende duizeligheid. Nu ik de slaap uit mijn ogen heb gewreven kijk ik bezorgd naar mijn zusje: haar lieve gezichtje wordt ontsierd door een enorme snee, en haar oog is dik en paarsblauw. Gelukkig vallen de andere blauwe plekken nog mee, maar toch springen de tranen in mijn ogen: ik had dit kunnen voorkomen.
Ik geef mijn zusje een knuffel, en trek dan snel mijn kleren aan, terwijl ik ril van de kou. Het is straks tijd om naar mijn werk te gaan, wat betekent dat ik weer een lange dag in de keuken moet staan, tot mijn handen gezwollen zijn en ik alleen nog maar aardappelen kan zien. Ik breek een stukje van het brood van , dat precies zo groot is dat ik er een dagje op kan leven, maar lang niet groot genoeg om mijn altijd aanwezige honger te stillen. Net als ik een oud laken om me heen wil slaan, zodat ik beschermd ben tegen de kou, zwaait de deur open. Een windvlaag waait het huis binnen, waardoor mijn haren naar achter worden geblazen, en in de deuropening staat mijn vader.
Zijn vettige haren plakken aan zijn magere hoofd, en hij trilt over zijn hele lichaam, waardoor ik zie dat hij pas nog heeft gedronken, maar die aanblik ben ik wel gewend. Wat me wel zorgen baart is zijn gezichtsuitdrukking, zijn ogen staan troebel van woede, zijn handen zijn tot vuisten gebald, zijn mond is één dunne streep en zijn normaal lijkbleke wangen zijn rood aangelopen, en al die woede lijkt op mij te zijn gericht.
'Vuile slet, ik schaam me ervoor dat jij mijn dochter bent!' schreeuwt hij met verbazingwekkend vaste stem, terwijl hij een stap naar voren zet, zodat hij recht voor me staat. 'Zelfs Lorenzo is me nog liever dan jij, dat je dit nog durft te doen na wat er met je moeder is gebeurd. Ik ben blij voor haar dat ze niet meer leeft, zodat ze nooit hoeft te zien wat er van jou is geworden!' Een paar spuugdruppels komen in mijn gezicht, maar ik durf ze niet weg te wrijven, bang om hem nog bozer te maken. 'Misschien ben je nu trots op jezelf, dat je je armzalige familie kan achterlaten, maar helaas voor jou zal ik dat dwarsbomen, jij komt hier nooit vandaan.' Mijn vaders hand gaat in zijn, met drankvlekken bezaaide, jas en hij haalt er een envelop uit. Ik haal hortend adem, de envelop is gemaakt van dik, roomkleurig papier, en ik weet dat dit soort papier alleen gebruikt wordt door de hoogste top van de maatschappij.
Met een woedend gebaar overhandigt mijn vader mij de envelop en ik pak hem voorzichtig aan, want ik weet dat hij, als hij boos is, net is als een wild dier; met onverwachte bewegingen maak je hem alleen maar bozer. De envelop in mijn hand voelt zwaar en nieuwsgierig kijk ik naar wat er op staat geschreven, met veel moeite, omdat mijn handen onbedaarlijk trillen, kan ik de naam ontcijferen: Chayenna Delaina O'Kelly
Verbaasd kijk ik naar de brief, en langzaam open ik de envelop.
Gegroet Chayenna OKelly,
We hebben signalen opgevangen dat u sporen van Magie bevat. Dit kan voor u schokkend aankomen, maar ik verzoek u hierbij om te vertrekken naar Altrevia, want het is voor ieders veiligheid beter als u niet meer thuis blijft wonen. Uiteraard zullen we uw familie door dit gemis tegemoetkomen met een maandelijkse bijdrage in hun levensonderhoud. Als u beslist om dit vriendelijke verzoek af te slaan, kan ik niet voor de consequenties instaan.
Morgenochtend wordt u opgehaald, dus u hoeft u geen zorgen te maken over het transport. Ik wil u vragen om zo min mogelijk spullen mee te nemen, wij zullen voorzien in de nodige levensmiddelen. Nogmaals: als u besluit om deze uitnodiging niet te accepteren, kan dit voor zeer vervelende gevolgen zorgen voor u en uw familie.
Hoogachtend,
Finelia Gritalia, directrice van Altrevia
Bạn đang đọc truyện trên: Truyen247.Pro